Mohammad is een goede vriend van mij. Vorig weekend gingen we met vrienden gezellig wat drinken bij het water. Mohammad zou ook komen, maar hij kwam wat later. Aan het einde van de avond zag ik hem zitten, alleen. Ik ging naar hem toe en vroeg of alles oké was. ”Ja, alles is oké, er is niks aan de hand.”, zei hij. Ik zag dat er wel wat was, en zei tegen hem dat hij altijd naar me toe mag komen als hij het wil vertellen.
Een paar dagen later kwam hij naar mij toe. ”Ik moet je wat laten zien.”, zei hij. Ik ging naast hem zitten. Hij pakte zijn telefoon en liet een foto zien. Op de foto zag ik de rug van iemand met dikke rode striemen er op. ”Wie is dit?”, vroeg ik aan Mohammad. ”Dat ben ik.” zei hij. Ik schrok en keek hem aan. Ik vroeg hem van wanneer deze foto was. ”Van gisteren” zei hij. Geschrokken keek ik naar de foto. Ik vroeg aan hem waar deze striemen vandaan kwamen. ”Weet je nog, zaterdag?” vroeg hij aan mij. ”Zaterdag was ik onderweg naar jullie, maar ik ging nog even iets te drinken kopen. Ik stapte over een hekje heen, in plaats van dat ik er omheen liep. Ineens kwam de politie en ze begonnen te schreeuwen tegen mij dat ik dat niet mocht doen en dat ik sorry moest zeggen tegen ze. Ik vertelde ze dat ik niets verkeerd had gedaan dus dat ik ook geen sorry hoefde te zeggen. Toen deden ze handboeien om mijn handen en begonnen ze me te slaan met hun  knuppels.” Terwijl hij dit vertelde keek hij naar de foto op zijn telefoon. Terwijl Mohammad dit vertelde voelde ik een gemengd gevoel van boosheid, verdriet en onmacht opkomen. ”Na een paar minuten maakten ze mijn handen weer los. Ik trok mijn kleren recht, maar de politie dacht dat ik mijn middelvinger opstak.” Mohammad keek me aan, een glimlach verscheen, maar ik zag de pijn in zijn ogen. ”De politie pakte zijn pistool en zette het op mijn hoofd. Hij schreeuwde en vroeg me of ik wist wat dit was. Hij schreeuwde tegen me dat hij me kon doodmaken en door mijn hoofd kon schieten als hij dat nu zou willen. Ik vertelde hem dat hij dat niet kon doen omdat hij dan een groot probleem zou hebben. Toen liet hij me los en mocht ik gaan.” Ik keek hem aan en vroeg hem of hij oké was nu. Hij lachte en zei ”maak je niet druk, dit is normaal hier. Dit is hoe de Griekse politie ons behandeld. Het is normaal.” Ik voelde zo veel boosheid vanbinnen, maar ook verdriet en onmacht. Hoe kunnen deze politieagenten de mensen zo behandelen, alleen maar omdat het vluchtelingen zijn? Hoe kunnen ze ’s avonds na een werkdag weer thuis komen bij hun familie en zonder schuldgevoel doen alsof er niets gebeurd is?
Ik liep naar buiten en mijn hoofd was leeg. Ik wist gewoon niet wat ik moest denken. Er kwam eigenlijk alleen maar 1 zin op in mijn hoofd, ”Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” (Lukas 23:33)
Ik herhaalde deze zin constant in mijn hoofd. Ik realiseerde mij dat ik met boos zijn niets zou bereiken en dat ik het dan ook niet los zou kunnen laten. Daarom besloot ik, als ik dit los wil laten, dat ik de politieagenten moest vergeven. En geloof me, met tegenzin bad ik tot God. Want ik was boos! En ik wilde niets liever dan dat de politieagenten hiervoor moeten boeten. Maar ik wist ook dat het niet aan mij is om daarover te oordelen.
Ik heb gebeden. Voor de politieagenten, voor Mohammad en voor anderen die op deze manier in contact zijn gekomen met de politie. En ik heb het los kunnen laten. De boosheid is weg.

One thought on “ONMACHT EN MACHTSMISBRUIK

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *